Jaarlijkse controle en vaccinatie

Over het vaccineren van huisdieren zijn de laatste jaren steeds meer negatieve verhalen op internet verschenen. Helaas berusten veel van deze verhalen op (negatieve) ervaringen van eigenaren en wordt er zelden verwezen naar studies die de negatieve geluiden wetenschappelijk ondersteunen. Hoe zit het dan precies?

Het doel van vaccineren is het beperken van het risico om een besmettelijke ziekte op te lopen en het beperken van het risico ernstig ziek te worden van een reeds opgelopen besmettelijke ziekte. In het wettelijk van kracht zijnde honden- en kattenbesluit wordt dit onderschreven door bijvoorbeeld een vaccinatie bij een 6 weken oude pup verplicht te stellen.

Om de gehele hondenpopulatie in Nederland goed te beschermen tegen bepaalde ziekten dient een zeker percentage van de populatie beschermd (lees: gevaccineerd) te zijn. Op deze manier ontspringen ook de niet goed beschermde dieren de dans, omdat de ziekte geen kans heeft zich goed te ontwikkelen. Wanneer het percentage gevaccineerde dieren te laag wordt, neemt het risico op het uitbreken van de ziekte binnen de populatie exponentieel toe.

Bij een volwassen hond wordt er op maat gevaccineerd. Dit houdt in dat er gekeken wordt naar de leefomstandigheden van de individuele hond. Hiermee wordt bedoeld dat we een risicoschatting maken aangaande de blootstelling van de ziektekiem waar tegen gevaccineerd kan worden. 

Bovengenoemde redenen maakt dat we vaccinaties in 2 groepen verdelen:

1: “core vaccinaties”: dit zijn vaccinaties tegen ziekten waar een wettelijke eis voor geldt of waarvan de aanwezigheid van de ziektekiem in de samenleving zo groot is dat een vaccinatie een essentieel onderdeel vormt bij de permanente bestrijding van deze ziekte. Voorbeelden hiervan in Nederland zijn de vaccinaties tegen de ziekte leptospirose, de ziekte van Parvo en Hondeziekte bij de hond.

2: “non-core vaccinaties”: dit zijn vaccinaties tegen ziekten waarop het risico onder speciale omstandigheden erg toeneemt. Men moet hierbij bijvoorbeeld denken aan de Bordetella-enting bij honden die naar een kennel of tentoonstelling gaan. 

Op internet staat veel informatie over het wel of niet vaccineren van uw dier. Omdat een aantal ziekten waartegen gevaccineerd wordt op dit moment in Nederland voorkomen is een goede vaccinatiestatus van belang. Voor een persoonlijk advies betreffende het vaccineren kunt u te allen tijde contact met onze praktijk opnemen.

Tevens komen er steeds meer geluiden naar voren over het bepalen van de antilichaamtiter van ziekten in het bloed om de mate van bescherming te meten. Op zich een goed streven. Voor hondsdolheid (Rabiës) was dit tot voor kort verplicht wanneer men met hond of kat naar bijvoorbeeld Engeland wilde reizen. Dit moest dan gebeuren bij een speciaal daarvoor geaccrediteerd laboratorium. Alleen dan werd de uitslag erkend. Sinds 1 januari 2012 is deze titerbepaling overigens niet meer nodig.

Titerbepalingen kunnen gedaan worden voor de ziekten Parvo, Hondeziekte en besmettelijke hepatitis. Indien een antilichaamtiter voldoende hoog is wordt bescherming voldoende aanweig geacht. Mocht van één van de ziekten de titer onvoldoende zijn dan dient een vaccinatie plaats te vinden. Omdat het vaccin een cocktailvaccin is vindt er in zo'n geval altijd een vaccinatie tegen deze drie ziekten plaats, dus ook voor de ziekten waar de titer nog voldoende hoog voor is.

Voor een aantal ziekten is een titerbepaling niet mogelijk. Met name voor leptospirose geldt dit. Zoals eerder werd aangegeven behoort de vaccinatie tegen leptospirose tot een zogenaamde core-vaccinatie. Omdat het vaccin maar ongeveer één jaar bescherming biedt is het zinvol de hond jaarlijks te laten vaccineren.